"Dezelfde mooie tijd die mijn geest stenigt"

Door: Frank Abilard (c)

Hoe ouder je wordt des te verder lijken de mooie herinneringen in het overvolle moeras van je geest weg te zakken. Herinneringen waarop je toch een deel van je leven hebt gebouwd. Passages uit een tijd die nooit meer zo voor je zal terugkomen. De vrije jaren van je leven, ontstaan uit de negen uur durende werkdag incluis de zaterdagochtend om op een totaal van vijfenveertig te komen. Ik zie mezelf nog als jongen van achttien met de dagelijkse bus meegaan in de ziekmakende onzekerheid van mijn bestaan. Het ouderlijk huis was net de draaiknop van de distributie voorbij. Mijn broer had een tienplatenspelerwisselaar en een buizenradio gekocht. Links in de hoek afgestemd op Veronica 192. Hilversum 3 bestond nog niet. Lydia zong ‘sent me the pillow that your dream on’, mijn zusje had ‘Spiegelbeeld’ gekocht, een buurjongen had singles van Buddy Holly en The Everly Brothers.

Alle begin was moeilijk en de eerste arbeid smaakte net zo bitter als het eerste biertje. Pas na mijn achttien maanden militaire dienst en mijn eerste stappen op de steigers van de bouw, begon ik te veranderen. ‘Help’ zongen The Beatles en met Herman stond ik in Houtrust bij een van de eerste concerten van de Rolling Stones, in een levensgevaarlijke situatie met ingerichte vakken van dranghekken waar flauwgevallen meisjes over de hoofden en door handen gedragen werden afgevoerd. Get Off Of My Cloud.

‘Bare Wires’ van John Mayall deed een bluesdeur open die nooit meer dicht is gegaan. Ik veranderde van de knecht uit de jaren zestig tot de stoned op het biljard zittende hippie van de jaren zeventig. Zo schraal aan woorden ben ik nooit meer een avond doorgekomen, ‘een roodkoperenpijp, nee een roodkoperenpijp’, was alles wat ik uren heb volgehouden. En ja, ik zie nog de drukte van de zaterdagavondkroeg voor me. De hele wereld was gek, ik viel niet op, ook al droegen Paultje en mijn persoontje oude damesjassen in afgrijselijk blauw, met een pseudo bontkraag, gekocht voor een paar gulden op het Waterlooplein. Vlooienjassen afgekeken van Ian Anderson, de rattenvanger van Jethro Tull, die zwaaiend met zijn woest rode haar, vonkende ogen en zijn even rood vetgekrulde baard, murmelend en sputterend over zijn fluit heen blies, sprak, floot. Zijn beeld van de zwerver, sitting on a park bench, staat voor altijd in de lp collectie. Aqualung. En wie zegt dat Tull een onbeduidend bandje was die heeft de vrijheid van mijn jeugd nooit meegemaakt. Die weet ook niet dat Dick Heckstall Smith met twee saxofoons tegelijk in zijn mond waanzinnige solo’s toeterde bij Colosseum. Laat staan dat ze de popmuziek kenden van Gracious, Warm Dust, waarvan Paul Carrack de enige is die nog steeds muziek is blijven maken, onder andere bij Roxy Music, en later solo, zij het dat dit niet meer mijn smaak is. Skin Alley en noem nog maar wat Blokhuis dwarsstraten op. Leg me op een bed gitaarklanken uit de hippietijd en ik drijf zo naar God’s heaven en klop met Bob Zimmerman aan de deur.’Cocaine All Around My Brain’ zong hij op de zoveelste witte bootleg.

Op een lang vergeten zondag presenteerde het net nieuwe Island-label zijn groepen in het Congresgebouw, zou je zoiets vergeten? Daar stonden de nog schuchtere grootheden van de latere wereldberoemdheid. Traffic, met Jim Capaldi, Dave Mason, Steve Winwood en Chris Wood, The Free met Paul Rodgers en Paul Kossoff. En zeker Spooky Tooth. Ja, misschien ook nog wel Jethro Tull met Ian Anderson en Mick Abrahams, but I’m Too Old To Rock And Roll and Still Too Young To Die. Het is dezelfde mooie tijd die mijn geest stenigt en me nog altijd laat zwemmen in een oceaan van popmuziek. En terwijl ik dit schrijf, gaat Clair di Luna van Claude Debussy door het huis! Toch maak ik me ernstig zorgen over de eerste vorm van dementie die al die prachtige jaren langzaam de vergetelheid indrukt.