Paris

Bercy 7 juli 2003,

“Moet ik hier nog lang blijven? Met het risico dat de geur van arme mensen in mijn dure kleren trekt?” Met een zo arrogant mogelijk smoelwerk roep ik dit naar Paul, terwijl tegenover me een zwerverstype me nota bene in m’n eigen taal een financiële bijdrage wil aftroggelen zodat ie wat coke kan scoren. Omdat de junk ongeveer in m’n aura komt staan, dring ik er bij hem zo Haags mogelijk op aan om op te kankeren omdat ie anders met z’n snuifmuil van de trappen van het metrostation af wordt gepleurd. Ondanks de taalbarrière, begrijpt de meurende vliegenwolk wat hem boven het hoofd hangt. Tandeloos ‘merde’ en ‘cochon’ mompelend druipt ie af.

We staan voor de ingang van metrostation Bercy. Die avond spelen de Stones in het Palais Omnisports van Bercy, een voormalige achterstandswijk van Parijs. De moderne, maar zeer gevarieerde architectuur is bedoeld om te overdonderen. Doet vaag denken aan het beeldmateriaal van de strip Michel Vaillant, waarin Frankrijk als strak en gelikt decor werd opgevoerd. We zijn tegen tweeën met een speciale bus uit Nederland aangekomen. Maar voor een goed plekkie zijn we waarschijnlijk te laat, want men hangt en ligt alweer rijen dik voor de ingangen van het Sportpaleis. En pas om zes uur gaan de deuren open. Ook al omdat het stinkend heet is, voelen we ons te goed om in de rij aan te sluiten. Daarom maar effe met de metro naar Père Lachaise, de begraafplaats waar beroemdheden als Oscar Wilde, Edith Piaf, Fréderique Chopin, maar ook de legendarische voorman van de Doors, Jim Morrison, begraven liggen.

Die ochtend zijn we om half vijf vanuit Den Haag vertrokken. Om in ieder geval rond zes uur bij de afslag Prinsenbeek, vlakbij Breda, op het parkeerterrein van het wegrestaurant daar, over te stappen in de touringcar die door Stones-fanclub ‘Shattered’ is gecharterd.
Als we de bus instappen, valt ons direct op dat de chauffeur een liefhebber is van Bløf. Uit de boxen schalt de tekst:

“Leen ons je hand
Leen ons je adem
Leen ons je lach
Leen ons alles wat je had“


“Typisch Zeeuws om alles te willen lenen; dat zijn me een stelletje vrekken bij mekaar in dat ondergelopen moeras. Mag ik deze CD van u branden… in de open haard?”, aldus begroet ik de chauffeur. Die prompt de muziek harder zet. Zacht godverend loop ik verder de bus in. Tering! Nederlandstalige huisvrouwen-nattekutten-muziek* op je nuchtere maag!

We begroeten de rest van de busbevolking met een welgemeend: “Good body, every morning!”
Geen sjoege, maar ja wat kun je ook verwachten van een dag die begint met vroeg opstaan? Een stel dat naast ons zit, aan de andere kant van het gangpad, stelt zich voor; Frits en zijn vriendin Eva, die best om aan te gluren is.
“We komen uit Waspik…”

“Kan de beste overkomen, maar dat geeft toch niks?”, zeg ik met een serieuze kop. Frits kan het wel waarderen, want schiet in de lach. Eva wendt zich echter met zichtbaar misbaar af. Frits is los en ‘bekent’ dat Eva eigenlijk transseksueel is.. “Was pik, snap je?” “Nee”, zeggen we met een stalen gezicht. Voordat Frits het probeert uit te leggen, houden we lachend een geopend flesje Grand Cru Hoegaarden voor z’n neus. “Jezus, acht procent man! Ik heb nog nooit op m’n nuchtere maag alcohol gedronken” “Wordt het toch eens tijd. Proost!”, en drie flesjes bier ontmoeten elkaar in de lucht.
Wat te verwachten viel, gebeurt: Eva protesteert tegen dit alcoholmisbruik. Omdat Frits zich niets van haar aantrekt, besluit ze op een bankje ergens achter in de bus plaats te nemen. Om Frits wat te troosten, zeg ik: “Ach, de enige reden dat God Eva schiep, was dat Ie zo langzamerhand wel was uitgekeken op die lul van Adam.” Met Frits zuipen we een gat in de dag. Rond een uur of één passeren we het Stade de France, waar de Stones een paar dagen later zullen optreden. Dan volgt een eindeloze rit op de Périphérique. Soepeltjes en op (de) Bløf stuurt de chauffeur de bus door het verkeer. Als we rechts van ons de sporthal in het vizier krijgen, zet ie zowaar de Stones op. De uitgebreidere versie van Honky Tonk Women:

“I strolled on the boulevard bars of Paris
As naked as the day that I will die
The sellers they're so charming there in Paris
But they just don't seem to sail you off my mind”


Foto: via Google

Als we na een korte rit met de metro op de Avenue de la République, vlakbij Père Lachaise, uitstappen, kom ik –verblind door het zonlicht- in botsing met een groepje meiden. Mijn gestamelde ‘pardon’ is aanleiding voor één van hen te veronderstellen dat ik een inheemse stokbroodvreter ben, want prompt wordt me de weg gevraagd: “Hello, I’m Finnish. We’re doing a ‘tour de France’. Can you tell me the way to the Champs Elysée?” “Wat mot dat wijf?”, vraagt Paul met een afgewend gezicht. “Oh, ze wil naar de finish van de Tour de France op de Champs Elysée”, zeg ik afwezig. Onverstoorbaar keutelt de Finse verder. “We’re a group of girls from different European countries, all members of the Community ‘Youth for Europe’…” “Wat zegt ze?” Paul kijkt ongeduldig op z’n horloge. “Ik geloof dat ze Europese gemeenschap met ons willen….” In m’n beste Engels nodig ik de meiden, allen ongeveer begin twintig, uit om wat te gaan drinken. Een hoop gegiechel klinkt uit het groepje op. “No, no, no… satisfaction”, wijst een mediterraan typje uit de club op m’n Stoneshangertje aan mijn ketting en ze schiet in de lach. “We can’t get no girl in action”, beken ik met een schaapachtige glimlach. Giechelend klampt het groepje meisjes een volgende passant aan om hem naar de weg te vragen. Deze man, ondanks snor, bril en een rather high forehead, blijkt een ware charmeur. Binnen twee seconden zijn we door het onbetrouwbare vrouwvolk vergeten. “Kom, gaan we een biertje drinken bij Jim”, besluit Paul. “Leuke speeldoosjes, die wijven, maar je komt niet eens toe aan de vingeroefeningen.”

We steken de drukke Boulevard de Ménilmontant over en betreden één van de grootste kerkhoven van Europa. Alleen Zoetermeer schijnt groter te zijn. We komen binnen door een zij-ingang. Hoe vinden we in Godsnaam op 17 hectare kerkhof het graf van Jim Morrison? Liefst voor half vijf, de deadline die we hanteren om nog een enigszins fatsoenlijke plek in Bercy te vinden. Het valt alles mee. We blijken aan de goeie kant van de begraafplaats binnen te zijn gekomen. Binnen een kwartier staan we te wankelen op boomstronken; oog in oog met een sober uitgevoerd graf. KATA TON DAIMONA EAYTOY, in het Oud-Grieks ‘trouw aan zijn ziel’, maar –behoorlijk macaber en net zo van toepassing- ‘hij schiep zijn eigen demonen’ en dat is Nieuw-Grieks.

Lijdzaam zien we in eerste instantie toe hoe Jim’s kortgebroekte landgenoten met hun oneerbiedige straatklauwen het graf bezoedelen om in de meest wanstaltige poses te worden gefotografeerd. Als een reusachtige Amerikaanse vervolgens haar enorme batterij op de grafsteen laat rusten, protesteren we licht door knorrende geluiden te maken.
“I just need to sit down for a moment, y’know. I got ulcera…”, verontschuldigt ze zich vervolgens. “Zegt dat varken?”, vraagt Paul. “Dat ze open benen heeft…” We schieten net niet in de lach. Toch kan ik niet nalaten te roepen:
“Dokter, ik heb open benen. Dat komt goed uit, juffrouw, ik ben namelijk bloedgeil” Met een hatelijke schaterlach pesten we de vrouwelijke grafschenner weg. Een Canadees meisje heeft er niks van verstaan, maar voelt feilloos aan dat we bezwaar maken tegen de ontheiliging van Jim’s graf. Als we de laatste twee flesjes Grand Cru Hoegaarden openen en op Jim’s gezondheid klinken, maakt ze een proostend gebaar. Ik wenk haar dichterbij en overhandig haar mijn flesje. Met een frons op het voorhoofd neemt zij, na enige aarzeling, een grote slok van het verrassend koele bier.
“Gorgious!”, roept ze enthousiast uit. “Just like you”, reageert Paul ad rem. Vervolgens hebben we een geanimeerd gesprek met deze 24-jarige schoonheid uit Vancouver. Tot haar en onze teleurstelling wordt ze niet veel later door haar vriendje opgehaald. We krijgen afscheidskussen en dan verdwijnt ze tussen de graven. Haar nors kijkende vriendje volgt al strompelend, dwars over Morrison’s graf… We zwalken nog een uur over het kerkhof en zien dat de verschillen in persoonlijkheid zich ook na het afscheid van het aardse manifesteren. Het monumentale grafmonument van de bij leven flamboyante Oscar Wilde steekt bombastisch af bij het zielige grafje van het al zo door het leven getroffen en door vele ontberingen kromgetrokken vrouwtje Edith Piaf. Maar op háár graf liggen verse rozen. Volgens een mededeelzame roodharige Hollandse toeriste van ergens in de vijftig worden die elke dag ververst.

“And I won’t forget to put roses on your grave”

Uit: Dead Flowers van de LP Sticky Fingers (1971)

Sommige vrouwen worden al zwanger als je met een broek naar ze zwaait. We zitten op het terras van een typisch Frans café, dat met de felle TL-verlichting doet denken aan een Turks koffiehuis op de Hoefkade. We bewonderen het vrouwvolk, dat hier –in een straat grenzend aan Père Lachaise- in groten getale voorbij komt. Maar we hebben nou nét geen oog voor een in burka gewikkeld zandvrouwtje, dat zich verontwaardigd uit de voeten maakt omdat zij zich kennelijk toch door ons bekeken voelt. “Geen haar op m’n zak die erover piekert”, aldus Paul droogjes, terwijl hij nipt van een groot glas witbier. Zelfs hier, op negen metrohaltes afstand van Bercy, lopen uitbundig uitgedoste fans met Stonesvlaggen over straat. Allemaal in één richting en daar worden we knap nerveus van. In no time hebben we afgerekend en maken we de gang terug naar het sportpaleis.

Daar aangekomen constateren we gelaten dat de rij drie keer zo lang is geworden. We besluiten om op een terras wat te gaan eten. Het menu is geheel aan ‘the event’ aangepast: er zijn menuutjes verkrijgbaar onder de namen Sympathy For The Devil en Emotional Rescue. Je kunt Irish Coffee met Brown Sugar bestellen en van de kaart bestel je Let It Bleed, een van dichtbij neergeschoten kogelbiefstuk. Alles af te blussen met Blood Red Wine, waarmee de restauranteigenaar zich een kenner betoont want dat is de titel van een nooit uitgebracht nummer.

Tegen zessen sluiten we aan in de rij. Een namaak Keith Richards met nóg rottere tanden dan het origineel begeleidt zichzelf op akoestische gitaar, terwijl hij ‘Sjatisjfacsjen’ zingt. Hij mist niet slechts een paar cruciale tanden, maar heeft bovendien de stem die de bard van Asterix moet hebben gehad. De menigte houdt zich redelijk in bedwang, maar had hem net als in de strip evengoed kunnen opknopen in één van de populieren die Parc de Bercy omzomen.
Dan gaan de deuren open. Tot onze verbazing loopt de massa zonder enig gedrang door de ingang naar binnen, waar de kaartcontrole en het fouilleren nauwelijks oponthoud veroorzaken. Als dunne stront door een endeldarm stroomt de menigte de arena van Bercy binnen. Zonder noemenswaardige inspanning bezetten we een perfecte plek aan de catwalk ergens tussen het grote podium en B-stage.

Rond half acht trekt de openingsact, de Stereophonics, een muur van geluid op. Wat volgt is een zwaar rockende act, waarin zanger Kelly Jones laat horen dat ie meer is dan een Rod Stewart-kloon. De Fransen om ons heen staan heel aanstellerig collectief met hun vingers in de beide oren. Wat een verschrikkelijke weekdieren zijn dat toch! Komt ervan als je zo vaak slakken eet. Sowieso een merkwaardig volk; vlak voordat de Stones opkomen zit de tent pas vol. Op het allerlaatste moment verwaardigt men zich, nog net niet in gala uitgedost, om naar het concert te komen. En dan hebben we het nog niet eens over die verschrikkelijk overgewaardeerde taal van ze gehad. Op z’n gunstigst klinkt een Fransman alsof ie door z’n luchtpijp praat. Het enige dat het Frans aan de wereld heeft bijgedragen zijn de croquette en de mayonaise. Vijftienhonderd jaar cultuur zijn te vatten in één hartvervetting.

Vervolgens worden wij en de klonen van Louis de Funes getrakteerd op één van de beste concerten van deze tour. Ronduit weergaloos zijn Jagger en Ron Wood, Keith is wat meer uit de losse pols. Maar er vliegen juweeltjes voorbij. De opener Street Fighting Man staat als een huis. Love In Vain, Monkey Man, Can’t You Hear Me Knocking en Mannish Boy klinken fantastisch. Alleen bij Brown Sugar, als Jagger de boel ophitst en het kleine podium verruilt voor de catwalk, verliest de band samenhang. Jagger speelt z’n eigen wedstrijd, zingt uit de maat en vergeet een deel van de tekst. Tot zichtbare ergernis van de rest van de band. Geen Fransoos die het in de gaten heeft, want men scandeert enthousiast ‘Yeah, yeah, yeah, whooooooo!’ Uit de kelen van deze halfzachte Galliërs klinkt het verwijfder dan ooit. Alsof masturbatievereniging ‘Alles in eigen hand’ een gezamenlijk hoogtepunt beleeft. Na afloop lopen de ‘mannen’ vanaf het kleine podium dwars door het publiek naar een hoek in de sporthal. Om niet meer tevoorschijn te komen. Een aftocht van gladiatoren…

Met trommelvliezen, die nog resoneren van de uitsmijter Satisfaction verlaten we de sporthal. Nu ik weer in beweging ben, gaan m’n ingewanden ineens tekeer als een gek. Bij elke stap voel ik een klots. Sneller dan het licht wordt m’n endeldarm afgevuld. Kut! Een plee en snel een beetje! In het sportpaleis is dat uitgesloten, want er staan overal enorme rijen. Ik ben niet de enige die al z’n lichaamssappen tijdens het concert heeft opgespaard. Met toegeknepen billen en plotselinge steken in de maag strompel ik met tempowisselingen naar buiten. Paul ben ik allang kwijt, maar dat boeit effe niet. Ik ben op overlevingstocht, moet zien te voorkomen dat m’n broek volschiet met darmpaté en dat ik de hele terugweg in m’n eigen stinkende stront moet zitten. Half gebukt en met de bovenbenen tegen elkaar begeef ik me op weg naar het restaurant waar we eerder die avond hebben gegeten. Vastberaden om de teringzooi, die ze me te vreten gaven, desnoods tegen de muren van de plee terug te spuiten. Men moet hebben gedacht dat ik een gehandicapte was die z’n rolstoel kwijt was, want zelden gingen drommen mensen zo respectvol voor me opzij. Als ik het idee heb dat m’n peristaltiek het gaat winnen en ik me midden in het restaurant ga onderschijten, bereik ik de WC. In één vloeiende beweging mik ik m’n broek op de hielen en nog voor m’n reet in aanraking komt met de bril word ik als een tube leeg geknepen. M’n lichaam buldert van opluchting; dat moet tot op het terras te horen zijn geweest. Het kan me geen reet schelen. Sterker; ik onderga een soort anaal orgasme. Langzaam richt ik me op en rek me uit, waardoor ik voortijdig een knop indruk die het spoelmechanisme in werking stelt. Het volgende moment worden m’n darmen zo ongeveer m’n lichaam uitgezogen. Uit angst helemaal vacuüm te trekken, trek ik me aan de deurknop overeind. Letterlijk van de pot gerukt.

Even later loop ik doodgemoedereerd naar buiten. Daar tref ik Paul in de traditionele pose; zittend op een muurtje met een biertje in de hand. In de andere nog één; voor mij. Zonder een woord te zeggen, kloek ik ‘m achterover.
“Kicke concert!”
“Niks meer aan doen!”
Aldus de evaluatie.

We lopen nog even langs de kraampjes met merchandise en ik scoor een T-shirt in camouflagekleuren met Keith in een Che Guevara-achtige pose erop. Daarna zakken we af naar de bus. Die tezamen met nog zo’n driehonderd bussen in een rij langs het Parc de Bercy staat geparkeerd. Midden in het park, tussen de menigte, ontwaren we een orkestje. Althans, zo ziet het eruit. Als we op gehoorsafstand komen, doen we de schrikbarende ontdekking dat hier met strooien hoed en streepjesoverhemd met behulp van banjo en trompet dixielandversies van Jumping Jack Flash en Start Me Up worden gespeeld. De besnorde zanger kijkt guitig in het rond als hij op jazzy toon “You – make – a – dead – man – come…” staat te zingen. Een groepje Engelsen heeft een passende remedie tegen dit wanstaltige verschijnsel, deze Samsonite-coverband, gevonden door omgeploegde zoden naar de ‘muzikanten’ te gooien. Die vervolgens terecht staken met hun act, die een absolute anticlimax voor een bijna perfect concert vormt.

Als altijd lijkt de terugreis sneller te verlopen dan andersom. Niettemin komen we pas rond half zeven ’s ochtends tot stilstand op het parkeerterrein bij Prinsenbeek. Onderweg bleek Eva spraakzamer dan haar vriendje Frits, die net als Paul trouwens vanaf Parijs had liggen slapen. Ze vertelde dat Frits meer een scharrel was en dat ze oorspronkelijk niet uit Waspik, maar uit Barneveld afkomstig was. De Stones vond ze “…keigaaf…”, vooral het nummer Starfucker! Ze was een beetje geschrokken van mijn grote bek, zo legde ze uit. Op dat moment legde ze haar hand op mijn arm. Zat die scharrelkip zowaar met me te flirten! Omdat ik ook de rotste niet ben, haalde ik een sliert haar uit haar gezicht en streelde haar wang. Over het gangpad heen hebben we zitten zoenen. Op mijn voorstel om samen een leeg bankje in de bus op te zoeken ging ze jammer genoeg niet in. Niettemin is de verbazing van Frits’ gezicht af te scheppen als ik hem een hand geef en zijn vriendinnetje en ik heel hartelijk met dikke zoenen afscheid van elkaar nemen.
Bij de laatste zoen fluister ik in haar neuriënd in het oor:

“Honey, I missed your two-tone kisses
Legs wrapped around me tight
If I ever get back to Waspik, girl
I'm gonna make you scream all night”

Uit Starfucker (Star Star) van de LP Goat’s Head Soup (1973)

Dat laatste laat nog even op zich wachten. Eerst nog naar Den Haag, Paul netjes thuisbrengen en dan op de achterwielen naar Delft, om tegen m’n slaapwarme vriendinnetje aan te kruipen.

Anderhalf uur later, ik heb 28 uur niet geslapen, kruip ik onder de lakens. Zonder een woord te zeggen versmelten twee lichamen met elkaar. Werkelijk alles was mooi aan vandaag, simpelweg ‘…because if you try some time, you just might find, you’ll get what you need…’

Uit You Can’t Always Get What You Want van de LP Let It Bleed (1970)

* huisvrouwen-nattekutten-muziek
is een door Marcel Bizarro Mulhuyzen verzonnen benaming voor een bepaald genre.


© Karel Kanits

De Draf- en Renbaan

Door Karel Kanits

Het wordt hard tijd dat ze Groningers gaan ondertitelen. Ik stel een eenvoudige vraag en krijg een antwoord zonder klinkers. Of ik het zelf maar bij mekaar wil scrabbelen, lijkt de onverschillige Noorderling uit te drukken. Het is 2 juni 1999. We zitten alweer uren afwisselend in de felle zon dan wel in de hevige zeikregen. Vrijwillig ten prooi aan uitdroging als gevolg van de wisselvalligheid van het klimaat van de, zoals nu weer blijkt, gedeeltelijk gealfabetiseerde noordelijke provincies. Vlak voor de geïmproviseerde ingang van de Draf- en Renbaan om precies te zijn. In afwachting van het optreden van de Stones.

‘Wat zegt ie?’, vraag ik aan Norbert, Hagenees woonachtig in Hoogeveen en onze gids in dit achtergebleven gebied. Het komt erop neer dat we voor een goedkoop en niet direct op de zeikspieren werkend biertje de Weg van de Verenigde Naties op moeten gaan. Het klinkt godverdomme alsof we voor een plasje bier zware internationale onderhandelingen moeten voeren.

Na een omzwerving van zo’n drie kwartier komen we eindelijk een kutterig buurtwinkeltje tegen, dat zich met zwarte plakletters op de ruiten heel protserig ‘supermarkt’ noemt. Omdat we niet de enigen zijn, die op het idee kwamen om bier te plunderen, staat er een rij tot buiten. Uit verveling pulk ik wat aan de plakletters. Ik haal de ‘U’ een beetje los, maar plotseling sta ik ermee in m’n klauwen. Ik pleur ‘m onopvallend in een doos bananen, die samen met ander fruit buiten staat opgesteld. Omdat ik toch al creatief bezig was, haal ik ook nog de ‘R’, de ‘K’ en de ‘T’ weg. Niemand heeft er oog voor, ook Paul niet, die gefixeerd op alcohol de rij in de gaten houdt en iedereen die dreigt voor te dringen non-verbaal alvast een enkele reis naar een veel hoger noorden belooft. Ik stoot een leuk mokkel aan dat ook in de rij staat en trek haar naar de rand van de stoep, zodat we beter uitzicht op de gevel hebben. ‘Kijk nou es wat daar staat!’, roep ik quasi verbaasd. ’S PERMA’, leest ze hardop.

‘Nog effe op je beurt wachten, schat!’, zeg ik met een vette knipoog. Haar lange slungelachtige vriendje, een gozer met een bril, type reformhuishufter, met schouderbladen die door z’n ribfluwelen jasje heen steken, stapt uit de rij en begint me vrijwel klankloos de les te lezen. Als ie is uitgepraat, informeer ik op vriendelijke toon of ie net naar de kapper is geweest of zojuist een schaamhaarverschuiving heeft gehad.

De verontwaardiging bij de blanke neger neemt vormen aan, want hij maakt allerlei ingewikkelde tai-chibewegingen. Zo tergend langzaam, dat je bij zo’n meergranenvitaminen-nerd al ruimschoots z’n darmen door z’n keel naar buiten hebt getrokken, voordat ie eindelijk een keer in de gevechtshouding staat. Lachend zeg ik, dat ik nooit een man met een bril sla, maar wel met een honkbalknuppel. Dat komt harder aan. ‘En kijk uit, hè’, zeg ik: ‘ik ken karate en kung fu en nog zo’n veertig andere gevaarlijke woorden…’

Als Paul en ik ons weer bij de rest van het gezelschap voegen, genieten we van een zevengangen menu: zes blikkies bier en één patatje oorlog. Het is zowaar effe droog en omdat we stevig zijn uitgeluld ga ik met de Volkskrant als hoofdkussen onderuit en sluit m’n luiken voor een klein uurtje.


De drafbaan in Groningen. Foto: http://home.wanadoo.nl/rollingstones/index_2.htm

Dan komt er plotseling beweging in de rijen. Eindelijk gaan de hekken open. Nog hevig slaapdronken word ik door zo’n smal toegangspoortje geperst, dat m’n lever als een afgezakte bochel op m’n rug komt te hangen. Je kan het ergste maar achter de rug hebben, bedenk ik me laconiek. Vervolgens word ik uitgebreid en treiterig langzaam gefouilleerd. M’n vrienden rennen alvast naar de horizon en verworden zo tot hele vage kennissen. Dan mag ik er eindelijk vandoor. Doel is het voorste vak. Maar godallejezus, wat staat dat kutpodium een tyfusend weg zeg! Op zo’n draf- en renbaan zou je als paard toch ook zwaar de tering in krijgen. Ik zet het op een lopen, maar ik word aan alle kanten door iedereen voorbij geflitst. Na alle ontberingen voor het hek, krijgen we nou de hel van een halve marathon te verwerken na het hek. Als ik op een kwart van de af te leggen afstand ben, doemen langs de kant de eerste bier- en hamburgerstands op. Daar staan ze alle dravers cynisch aan te moedigen. Strompelend door de modder ga ik tot hilariteit van die pleureslijers bijna op m’n bek. In m’n bijna-val schep ik met m’n rechterhand een kluit modder uit het gras die ik in één vloeiende beweging midden op de verbouwereerde bakkes van zo’n frikadellenpooier laat landen. Geeft me een onwijze kick. Ik stayer op gestaag tempo naar voren, nog zo’n honderd meter, schat ik. De atleten die me eerst hun hielen lieten zien, vallen stuk voor stuk stil. Als een diesel drens ik ze glimlachend voorbij. Maar godverdomme, wat gebeurt daar? Ze sluiten het voorste vak af!

In een uiterste krachtsinspanning pers ik er een sprint uit en neem een aanloop om over één van de dranghekken te springen, waarmee het voorste vak is afgesloten. Vijftien anderen waren ook al op dat idee gekomen, zodat het hek onder het gewicht van de minder atletische springers naar binnen omklapt en een aantal Groningers plet. Te herkennen aan de nodige klinkerloze noodkreten. Maar, zo stel ik mezelf lichtfilosofisch gerust, zonder klinkers valt er weinig te pletten. En ik zoek m’n weg naar m’n vrienden. Ik heb geen polsbandje en kan de eerstvolgende acht à negen uur het voorste vak niet meer uit. Dus zal ik desnoods tegen m’n vrienden aan moeten zeiken.
Ze zijn niet beter van me gewend.

Het is nat en zonnig tegelijk; de vloeibare zonneschijn dwingt me m’n kleine parapluutje uit te klappen en er gezellig met Rita onder te schuilen. Het bier is op. Ik krijg van Rita water aangeboden. Maar dat wijs ik principieel af. Ten slotte heeft water al veel meer mensen gedood dan alcohol. Na een goed uur komt het voorprogramma op gang. Een band, waarvan ik verder nooit meer iets zou vernemen: Catatonia. In hun midden een mooie volslanke zangeres in een lange rode jurk. Als ze aan haar setje begint, treft ze net een wolkbreuk. Onverstoorbaar zingt ze door. Haar haren hangen inmiddels in slierten langs haar hoofd en haar jurk is doorweekt. Een windvlaag drukt haar kleding nadrukkelijk tegen haar rubensachtige lichaam aan en maakt zo de jurk volstrekt doorschijnend. Ze blijkt er niks onderaan te hebben. We genieten van deze bijzondere zangeres. En ze schijnt ook een goeie stem te hebben gehad.

Oh ja, de Stones speelden ook. Daar kwamen we uiteindelijk voor. Tijdens het concert wordt Paul’s grote idool, Keith Richards, door Leo van z’n voetstuk gehaald. Zeg maar gerust, bij de sokkel afgehakt. Leo wijst fijntjes op de voorgestemde gitaren die Keith bij elk nummer krijgt uitgereikt. Slaat ie een toon aan, weet ie meteen met welk nummer ze doorgaan. Dat kan ie anders met die constant bezopen kop van ‘m toch niet onthouden.
Verder Mick die het draven en rennen nog niet is verleerd; Mick Jogger.

‘Gimme Shelter’ is het absolute hoogtepunt, met name omdat Lisa Fisher uit twee volle borsten meezingt.
De helden sluiten af met ‘Satisfaction’. In de confettiregen na afloop lopen we met stalpoten terug naar de auto, die ongeveer één provincie verder staat geparkeerd. We sluiten naadloos aan in een uitgelaten file. Raampies open en knoertharde Stonesmuziek aan. Ik hou van zulke files; ik sta er voor in de rij.

Een klein half uur later is het stil in de auto. Iedereen ligt te pitten. Met nog twee uur rijden voor de boeg bedenk ik me mismoedig dat ik morgen gewoon aan het werk moet. Ik graai in het tasje naast m’n stoel en tref daar zowaar nog een zwaar Belgisch biertje aan. Stiekem open ik het flesje in de aanstekeringang en zet hem gulzig aan m’n mond. Ik voel hem meteen in alle verkeerde klieren zakken. Een beetje overmoedig, neem ik nog een grote slok. Wat nou, dronken achter het stuur?

Tien procent van de ongevallen schijnt door dronken chauffeurs veroorzaakt te worden. Oké, maar dat betekent dat nog altijd negentig procent van de ongevallen door nuchtere chauffeurs wordt veroorzaakt. Direct na deze sussende overweging, maak ik een onverwachte slinger. Meteen is iedereen wakker en bereid en in staat om me de huid vol te schelden. Resoluut plant ik het nog halfvolle flesje onder de oksel van mijn gapende bijrijder. We nemen geen risico’s meer.

Want net als mijn grote helden, de Stones, heb ik maar één doel in het leven en dat is jong te sterven op zeer hoge leeftijd.

© Karel Kanits

'Love is real'

Door Karel Kanits

Mei 2005. Met het vaste voornemen om vijf dagen lang geen serieus woord met elkaar te wisselen, stappen zeven Scheveningers en één Hagenees op het vliegtuig naar New York. Drie maanden eerder liep m’n derde relatie in twee jaar op de klippen en meldde ik me bij het Scheveningse zonderlingenlegioen in de kroeg. Tussen alle troostende woorden bevond zich het voorstel om mee te gaan naar de ‘Big Apple’. Zeer tegen mijn natuur in bedacht ik me geen moment.

De hele reis er naartoe zat ik naast Frans, die –met headphones in zijn oren- bij elk nieuw nummer op zijn mp3-speler schreeuwend de titel ervan aan mij mededeelde. Toen ik daar een beetje genoeg van had, deed ik bij een liedje van Oasis een paar keer alsof ik hem niet verstond. Waardoor hij steeds harder begon te schreeuwen:
“FUCKING IN THE BUSHES!!!! FUCKING IN THE BUSHES!!!!!”

Subtiel had ik hierbij het moment afgewacht dat één van de stewardessen hem van zijn lunch wilde voorzien. Die maakte zich, zichtbaar ontdaan, snel uit de voeten. In niet mis te verstane bewoordingen werd Frans daarna door een mannelijk lid van de bemanning gewezen op het respecteren van fatsoensnormen.


New York. Wat mij betreft was dat tot dusver niet meer dan een verzameling opgestapelde nieuwbouwwijken met de allure van Zoetermeer: kil, klinisch, zakelijk en met een dodelijke monotonie. Maar inmiddels moet ik bekennen dat ik er best een tijdje zou willen wonen. En dat het –hele eer- herdoopt mag worden tot Den Haag-West. Dan mag in ruil Zoetermeer op ongeveer 8.000 kilometer afstand ergens aan de overkant van de oceaan worden neergeplempt.
Alles rockt aan ‘the city that never sleeps’. Wat een energie! Wat kan je daar heerlijk verzuipen in de massa. Wat een fantastisch organisme: mooi van lelijkheid. Ons zelfgenoegzame Amsterdam steekt erbij af als een duffe kneuterige dorpsgemeenschap.

Er was eigenlijk maar één moment van twijfel en dat was een zaterdagnacht, ergens rond vijf uur. In de verre omtrek van Times Square waren alle kroegen en slijterijen dicht. De supermarkten op 8th Avenue waren wel open, maar die mochten op dit tijdstip geen drank verkopen. Heel even konden we ons de situatie rond de drooglegging voor de geest halen. Maar na zessen hebben we weer volop van een vloeibaar ontbijt kunnen genieten. Waarbij we het unaniem eens waren over het feit dat ‘drooglegging’ een strakke broek voor incontinente vrouwen moet zijn.

Natuurlijk hebben we de hele tour gedaan: Empire State Building, Ground Zero, Brooklyn Bridge met een fantastisch uitzicht op de beroemde skyline. Alleen het Vrijheidsbeeld boeide me minder, maar dat kan ook als oorzaak hebben dat een groenuitgeslagen wijf met in de ene hand een boodschappenlijst en in de andere een rol vuilniszakken bij mij als nog niet zo lang gescheiden man pijnlijke herinneringen oproept.

In onze jacht op alternatieve muziek, hebben we natuurlijk ook het clubcircuit van de East-Village afgestruind. Met als hoogtepunt een bezoek aan CBGB’s, waar een postpunkband, bestaande uit zeventienjarige pukkelpubers liet horen dat zelfs deze muziek evolueert. Natuurlijk waren we daar alleen maar in de ijdel gebleken hoop er Lou Reed of Sting in alle anonimiteit aan te treffen, of dat David Byrne er een verrassingsoptreden zou verzorgen.

Maar uiteindelijk creëerden we er ons eigen muzikale hoogtepunt. Ik bevond mij in het gezelschap van zeven malloten. De hele dag ongein. Waarom het weerbericht racistisch was: nou, slagregen is gewoon een anagram van galnegers. En begin tegen een Islamiet asjeblieft niet over sluierbewolking. Dat werk. Of dat in het scheppingsverhaal Eva eigenlijk de eerste ‘sparerib’ was en dat je tegen een prostituee nooit moet zeggen dat ze meer klanten moet trekken. Dat niveau.
Goed gezelschap dus: lachen, zuipen en voortdurend kicken van alle hoogtepunten Eén minpuntje: het waren allemaal Beatles-fans. Ik was tevoren gewaarschuwd. Ze waren zelfs zo beleefd geweest om te vragen of ik er als Stones-fan bezwaar tegen zou hebben om naar de Dakota-building te gaan. De plek waar John Lennon was vermoord. Ik liet fijntjes weten graag langs alle plekken te worden getroond waar leden van de Beatles zijn afgeknald.

Verstilde blikken bij Arie , Fred, Frans en Pieter. Verhitte discussies waarin ze mij voor de zoveelste keer probeerden te overtuigen van het belang van de ‘fab four’ voor de ontwikkeling van de pop- en rockmuziek. Omdat ik ook de rotste niet ben, beaamde ik dat uiteindelijk. Want, zo liet ik weten, elke keer als de Beatles weer een singletje met van die supermarktmuzak uitbrachten, waren de Stones, de Who en de Kinks bijvoorbeeld wel verplicht om te laten horen hoe smerige blues en dampende rock & roll wél moesten klinken.

Dat ik mijn vrienden toen niet van me heb vervreemd, pleit voor hun ‘rubber soul’. En motiveerde mij om Arie over zijn schroom heen te helpen om op Strawberry Fields, de herdenkingsplek voor Lennon in Central Park, songs van zijn grote idool te gaan zitten spelen. Zoals elke ochtend stonden we, zonder dat dit tweedracht zaaide, met z’n zevenen zo’n drie kwartier te wachten tot we konden vieren dat Arie in zijn vijfde outfit eindelijk naar buiten durfde. In zijn gespeelde nonchalance te ijdel om toe te geven hoe ijdel hij eigenlijk is.

Strawberry Fields was op deze zondag afgeladen met mensen: toeristen uit alle windstreken, maar ook New Yorkers die op deze plek even uitpuften van hardlopen door het park. Ondanks de drukte heerste er een haast serene stilte. Met z’n achten bezetten we twee van de bankjes, die zich bevinden aan weerszijden van het zich verbredende pad naar het mozaïek met ‘Imagine’. Arie opende z’n gitaarkoffer, rangschikte wat teksten en wilde beginnen met spelen toen een inheemse moraalridder hem dat wilde beletten. Hij bond in, want zes paar lege Scheveningse ogen en één knokkelskrakende Hagenees keken hem aan.

Broos en nerveus, maar loepzuiver begon Arie te spelen. Tot groot enthousiasme van een aanzwellend publiek. Dertien Lennon-nummers verder; 25 graden en nog steeds kippevel. Zeven vrienden die erop toezien dat de achtste z’n missie volbrengt: ‘Love is real’.

*1 Arie Spaans: Bassist/zanger/componist van de Scheveningse band The Suburbs. Schreef o.m. ‘Rollercoaster’, waarmee de Haagse band Di-rect een internationale hit scoorde
*2 van het nummer ‘Love’
.